"DE KLEYNE LUYDEN"

"DE KLEYNE LUYDEN"


OPENINGSREDE TER DEPUTATEN

VERGADERING VAN 23 NOVEMBER 1917


DOOR


DR. A. KUYPER


Maarhet dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen. 1 Cor. 1 : 27.

J. H. KOK - 1917 - KAMPEN


"DE KLEYNE LUYDEN".

Hooggeachte Heeren en Broederen,

De radicale omgieting, waarmeê de nieuwe Kieswet onze Antirevolutionaire partij in het fundament zelf van haar bestaan bedreigen komt, is in zoo hooge mate bedenkelijk, dat Uw Voorzitter in de rede, die aan onze beraadslagingen voorafgaat, ditmaal vóór alle dingen op dit hoogernstig gevaar Uw oog heeft te richten.

Voere mijn rede daarom ten titel: "De kleyne luyden". Immers juist in die "kleyne luyden" school van oudsher, en tot op dit oogenblik toe, onze kracht, om weerstand te bieden en stand te houden. Door wat men thans, in flagranten strijd hiermede, beoogt, worden we rechtstreeks bedreigd tot in het zielskarakter zelf van ons corporatief bestaan. Ons optreden onder Datheen en Marnix, onder Bilderdijk en Da Costa, en nietanders onder Groen en Elout, doelde ten principale op de eere Gods, en lijnrecht stonden we deswege van meet af tegen de enkel macht en eigen voordeel zoekende groepen over; geheel onverschillig of ze weer op 't behoudziek Conservatisme aanstuurden, dan wel als Liberalen op eigen machtiger toekomst bedacht waren. Van Datheen tot Elout en van Marnix tot Groen was het telkens weer de innerlijke drang eener onweerstaanbare zielsovertuiging, die ons bezwoer, om zelven niet dan instrumenten voor de eere onzes Gods te zijn, en steeds weer, ook al dreigde opnieuw een sociaal martelaarschap, hoog de banier van Gods Woord op te heffen. Vandaar dat de edelen en rijken, de wijzen en machtigen steeds weer zijwaarts van ons afzwenkten. Wat vaste hope had niet aanvankelijk Prins Willem van Oranje op de Edelen uit zijn dagen gevestigd, en hoe jammerlijk liep 't toch niet al op bittere teleurstelling uit, tot tenleste alleen de "kleyne luyden" hem getrouw bleven, schier enkel kleyne luyden, niet dan door zeer enkelen uit de mannen van naam gerugsteund. Zoo was het toen, zoo is het nu, en zóó en niet anders zal het in de toekomst blijven. Wees niet Christus zelf reeds op den afval, waartoe Mammon straks verlokken zou, en waarschuwde niet de groote Apostel ons, dat tenslotte niet wat groot en machtig is naar de wereld, maar alleen 't geen niets is, trouw aan de zake Gods zou blijven? 't Woord was daarom door Prins Willem zoo juist en zoo bezielend gekozen, toen ook hij het, na veel worsteling, tenslotte uitriep: Niet wat machtig is naar de wereld, maar alleen wat schuilt onder de kleyne luyden heft met mij de banier om hoog voor de eere onzes Gods. Natuurlijk, uitzonderingen sloot dit niet buiten. Prins Willem zelf was er het type van. Marnix was en bleef historisch symbool. Wat we zelven later in G r o e n en E 1 o u t bezaten, was een gifte van Gods barmhartigheid. Zoo was het toen, zoo was het steeds, zoo is 't nog. Steeds flonkerden er aan onzen donkeren hemel enkele starren van eerste grootte; maar dan waren het ook mannen hierin vooral groot, dat ze zichzelf verdwijnen lieten, om Gods volk in eere vooraan te laten treden. Deze enkele edelen bedoelden dan ook nooit zichzelf en kenden nooit eenige andere roeping, dan om Gods volk met het schild van hun kunde te dekken. Vandaar de bezielde liefde die Gods volk hun toedroeg. Van een egoïstisch conflict was hierbij nimmer sprake. En welk een spanning ook soms opkwam, in geheiligde harmonie vond men elkaar steeds weder. De tegenstelling met wat in het Liberale land voorviel, was zoo sprekend. Onder hen, die de beginselen van 1789 waren toegedaan, gingen steeds de grooten naar de wereld, de geweldigen der aarde, de machtigen en wijzen en edelen voorop, en de kleyne luyden hadden slechts te volgen; en dit kon onder hen, omdat er in het Liberale kamp op politiek gebied met geen God gerekend werd. Onder ons daarentegen viel die aardsche tegenstelling vanzelf weg. Het ging onder ons niet om de suprematie van wat aardsch groot, over wat aardsch klein was, maar eeniglijk om de allesbeheerschende levensvraag, of de Almachtige zou worden terzijde gezet, dan wel of voor God alle ziel ook inde zake van het Vaderland zou buigen.

Ik moet hier wel tot op het Paradijs teruggaan. Drieërlei heeft eens in het oorspronkelijk Paradijs geschitterd. Vóór alle dingen God Almachtig, dan onder God de naar zijn beeld geschapen mensch, en in de derde plaats de stoffelijke Schepping met al haar pracht en weelde. Zoolang nu die drie in oorspronkelijke harmonie één bleven, liep 't alles wel. Doch nauwelijks was de breuke in die drieheid geslagen, of het werd de zichtbare wereld, die den mensch van God aftrok, en alleen het verval in de wereld kon den mensch weer naar God terugleiden. Van hier de tweeërlei, vlak tegen elkander indruischende actie, die in 't wereldleven tegen elkaar inwrong. Eenerzijds de met macht bekleede mensch, die zijn wereldmacht tegenover God stelde, en anderzijds de kleine naar de wereld, die zich naar God ophief, om rijk te zijn in wat alleen van zijn God hem kon toekomen. En vandaar dan ook, dat al wat in de wereld op macht loerde, zich steeds meer van God afkeerde; terwijl omgekeerd wat zich naar God getrokken gevoelde, varen liet het zondig zich vastklemmen aan wat in die wereld voor groot gold, om eeniglijk in het eeuwige, maar dan , ook voor eeuwig, te vinden, wat geen wereld hem ontrooven kon.

Splitst dit in elk land het volk in tweeën, het doet dit met name in een land, als het onze, van Gereformeerde formatie, omdat wij als trouwe Calvinisten nooit kunnen aflaten van den band aan het Woord. Heeft men ook onzerzijds op Octobers laatsten dag het jubelfeest van Luther medegevierd, toch kwam ook daarbij krachtig het onderscheid naar voren. Hoe bezield en hartelijk we ook Luther's dappere daad en kloeke taal toe juichten, de uitkomst leidde er toch toe, dat in het Luthersche land het Oude Testament in onbruik geraakte, terwijl het in 't land, door Calvijn's geest bezield, steeds in den huisbijbel geeerd bleef. En wat nu anders predikte geheel dit Oud Verbond aan Israel, dan dat wel 't rijke land in Egypte lag en dat de wereldsche macht in Babylon school, doch dat het volk van God, als in geestelijke trouw zijn toekomst zoekend, onder de machtige wereldvolken slechts een kleine en allerminst talrijke natie vertegenwoordigde. En voorzoover dan nog in dat volk van Israel onderscheid opkwam tusschen de grooten en machtigen in jeruzalem en de kleinen en armen in Galilea, koos de Christus immers van meet af het kleinere en armere Galilea tot Zijn arbeidsveld, en sprak het "wee u" uit over Jeruzalem. Zoo nu kon het niet anders, of hoe dieper de macht van het Oud en Nieuw Verbond ook in óns volk indrong, des te scherper moest in dit volk hetgeen God en hetgeen de wereld zocht, zich van elkander afscheiden. Steeds meer zag men dan ook, hoe de machthebbers, ook ten onzent, den zetregel van Gods Woord loslieten, om tenslotte zich geheel door de valsche theorieën van Frankrijks Revolutie te laten verschalken.

En tegenover deze primordiale vervalsching van wat in een land dat God vreest, ook op politiek gebied, gelden moest, is toen onze Antirevolutionaire partij opgekomen, om wat groot naar de wereld scheen, terzijde te schuiven, en enkel wat groot in God is, ook op politiek gebied, tot gelding te brengen. Juist bij deze splitsing nu hing alle duurzame beslissing aan de vraag, of de schat, de wijsheid, de macht, die uit de wereld is, dan wel de geestelijke rijkdom die alleen uit God ,ons toekomt, de ziel vervoeren en het hart bekoren zou. En toen men nu, vooral op onze gezegende erve, steeds meer voor deze alles beheerschende keuze kwam te staan, verried de uitkomst terstond, dat wie machtig in 't wereldsche was, hierdoor overmand en overheerscht werd, en ten slotte, om de wereld niet te verliezen, zijn God losliet, - en dat het daarentegen de kleyne luyden waren, die van de wereld minder te hopen en niet dan zijdelings te genieten hadden, en die daarom al 't tastbare varen lieten, om alleen wat eeuwigen duur bezit, te gewinnen.

Beluister hierbij nu de heiligste zielsverheffing van den Christus tot Zijn Vader, en ge gevoelt aanstonds de bange, spannende antithese die hier geldt tusschen de wereld en hetgeen waar de Christus naar smachtte. "Vader," zoo toch vloeide het over Zijn lippen",ik dank U, Vader, Meere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkees geopenbaard. Ja, Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U." Wat is nu hier het opmerkelijke ? Dit immers, dat Jezus hier niet de armeren tegenover de rijkeren stelt, maar de verdoolde geleerden tegenover de ongeleerden naar de wereld. jezus spreekt niet van den bezittende en den minder--bedeelde, maar trekt zich van 't goed dat de mensch bezit, geheel terug op wat ons sterk maakt in ons verstand en in ons denken. Eenerzijds toch stelt jezus de "kinderen", waarmeê bedoeld zijn niet de kinderkens in jaren, maar de eenvoudigen in verstandelijke ontwikkeling. Al is 't toch volkomen waar, dat Mammon ten slotte de gevaarlijkste verleider is, die zijn millioenen slaven meésleept, toch gaat de machtigste invloed van de wijzen en de geleerden uit, en is het vooral tegen de ongerechtige denkers en onheilige verzinners dat het woord van waarschuwing zich hier keeren moest. Een man als Spinoza heeft ten onzent ongetwijfeld meer zielen vergiftigd, dan de vlootschat die uit Indië kwam. Niet alsof de Christus niet op even ernstige wijze gewaarschuwd heeft tegen de ontzieling die van het goud komt, maar toch verstaat ge de Schrift niet, zoo ge u inbeeldt, dat in het goud het meest dreigende gevaar ligt. Immers, hier, in dezen zoo innig intiemen zielsuitgang naar den Vader, zwijgt de Christus geheel van 't geld en 't goed, en bepaalt Hij zich eeniglijk tot het afbidden van verweer tegen de valsche wijsheid en tegen het demonische gevaar, dat in de pseudogeleerdheid schuilen kan. Vergeet het toch nimmer, in geld en goed is Satan arm. Er is in de kern van 't Satanische wezen niets van de zinnenlust, die tot ontucht leidt, noch van de geldzucht die vervoert tot gierigheden. In het Satanische gaat het ten slotte eeniglijk om de echte of de valsche wijs held. En daarom nu is het, dat ook de Christus hier in Zijn zielsuitgang tot den Vader, den Heere des hemels en der aarde, van 't goed en geld en goud zelfs niet rept, maar eeniglijk dankt, en dankt met geheele zielsovergave, dat de onheilige wijsheid teruggedrongen is, en dat het Gode beliefd heeft, aan de kleinen naar de wereld het inzicht in de kern van wat eeuwig blijven zal, te gunnen. Ongetwijfeld, ook het bezit van 't goud der aarde kan verblinden, en van God aftrekken, maar toch, . het meest op den voorgrond dringende gevaar schuilt niet in het goeden goud, maar steeds in de valsche wijsheid en in de valsche wetenschap, en daarom is het, dat Jezus zijn Vader zoo vuriglijk dankt; dat Hij de heilige kennisse zoo vaak voor de wijzen en geleerden verborgen heet, en heeft ze aan de kleinen naar de wereld geopenbaard. Het zich overgeven aan Mammon hangt wel rechtstreeks met dit verdolen in de wijsheid der wereld saam, maar toch, het dolen in het denken gaat voorop, het zich verdwazen in eigen scherpzinnigheid staat op den voorgrond. Reeds in het Paradijs gold het ",de kennisse van goed en kwaad", en niet de smaragd of robijn, en juist de waanwijsheid was het van meet af en bleef het eeuw in eeuw uit, die den geest des menschen op 't dwaalspoor geleid heeft, en die in geslacht na geslacht nawerkt. Vraag u slechts af, wat een geest als Voltaire onder de geesten vergiftigd heeft, en wat tientallen van geesten een wijsgeer als H e g e 1 nog dagelijks onder de jongeren van ons geslacht vermoordt. Niet genoeg kan 't daarom betreurd, dat ook op den kansel zoo telkens te eenzijdig op het goudgevaar, en veel te weinig op 't meegesleept worden door onwijze wijsheid gewezen wordt. Het giftig gevaar dat ons bedreigt, gist en ziedt van twee zijden in het zichtbare en in het onzichtbare, in het stoffelijke en in het geestelijke, maar altoos heeft wat geestelijk en onzichtbaar werkt, de overhand en gaat vóór. Vandaar dan ook, dat de Christus zoo herhaaldelijk óók wel tegen den Mammon getuigt, maar toch, hier, in de uitstorting van Zijn ziel voor Zijn Vader, merkt ge van dat stoffelijke geen woord; wordt het alles in 't giftige geestelijke gevaar saamgetrokken ; en is het de uiting van een innige zielsverrukking in Jezus' geest, dat de wijsheid der wereld stuiting vindt door wat gewrocht wordt in Gods kinderen. Zelfs valle er nadruk -op, dat Jezus hierin het geestelijke en stoffelijke saamvat. Hij spreekt Zijn Vader toch aan als Heere, niet alleen des hemels, maar óók der aarde.

En wat komt ons nu uit het Apostolaat toe? Immers geheel dezelfde roepstem gaat van den man van Tarsen de wereld in. Rijk toch was in Paulus' dagen onder Grieken en Romeinen ,de weelde der wijsbegeerte opgebloeid. Stelsel na stelsel was uitgedacht. De scholen der wijsbegeerte bloeiden na, en steeds verder wisten Stoicijnen en Epicuristen hun geestesheerschappij uit te strekken. Thans, meer dan twintig eeuwen na hun bloei, gelden nog in veler oog mannen als Plato en A r i s t o t e l e s als betrouwbare gidsen. In veler oog is in schat van wijsheid al wat Gods Woord ons biedt, niet te vergelijken bij wat in de werken der Heidensche geleerden tot ons kwam. En wat was nu de positie, waarin Paulus als de van God gezonden prediker hierbij optrad? Hij ook kende de toenmalige geleerdheid, en had zelfs voorheen bij veel uit dien schat van wijsheid gezworen. Maar nu had dit uit. Na de aangrijping, die op den weg van Damascus hem overviel, ontgleed en ontglipte hem alle gehechtheid aan die Heidensche glorie. Zonder aarzalen, cordaat en beslist, weerhield hij zich zelfs niet, om wat voor wijsheid in de toenmalige Heidensche wereld gold, als dwaasheid te niet te doen. Ge kent zijn krasse uitspraak in den eersten Corintherbrief : "Het dwaze Gods is wijzer dan de menschen, en het zwakke Gods is sterker dan de menschen". En dan volgt er: "Want gij ziet uwe roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen; maar wat de wereld dwaas noemt, heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, ja hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is teniet zou maken, en opdat geen vleesch zou roemen voor Hem". Zeg zelf, is het nu denkbaar, in menschelijke taal het sterker, krasser en beslister uit te drukken, dat juist van de uit het spoor geraakte en verdoolde wetenschap en wijsheid de doodelijke, of althans de vergiftigende macht uitgaat, die ons persoonlijk leven en het leven der volken ontreddert ? Het komt altoos weer neder op wat Jacobus ons in dezer voege op het hart bindt: "Hoort, mijn geliefde Broederen, heeft God niet de armen van deze wereld uitverkoren, om rijk in 't geloof en erfgenamen des Koninkrijks te zijn?- En ging van Jezus zelf niet het typeerende woord uit: "Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk der hemelen"?

Mammon komt pas in de tweede plaats als een principieele tegenstander van het Koninkrijk Gods aan de orde. Doch komt hij aan de orde, dan keerde ook tegen hem de Christus zich zoo beslist als 't menschelijk woord slechts toeliet. "Gij kunt niet, zoo klinkt het dan op jezus' heilige lippen, gij kunt niet God dienen en den Mammon." Al uw pogen om die twee heerschappijen tegelijk te huldigen, loopt op niet anders uit dan op vloekwaardige teleurstelling. Ge kunt dan nog meenen voor uw God de knie te buigen, maar in uw hart keert ge u tegen Hem, en de band die u eerst nog ten deele aan Hem verbinden mocht, scheurt los. Op dit afdolen door Mammon valt thans zelfs meer dan in Jezus' dagen de nadruk. Vergelijkt ge toch wat landbouw en fabriek, wat scheepvaart en bankwezen, destijds en nu presteeren, dan staat het in onloochenbare cijfers geboekt, dat in den tijd waarin óns leven viel, de macht van het stoffelijke, technisch en financieel, vergeleken bij wat het in Jezus' dagen was, meer dan verhonderdvoudigd is. De stoffelijke actie van toen bij die van nu vergeleken, telt ternauwernood mede. Dit nu brengt vanzelf met zich, dat de bestrijding van het materialisme thans veel meer op den voorgrond moest treden dan destijds, en dat een Apostolisch geschrift in onze dagen te boek gesteld, hiervan veel sterker sporen zou vertoonen. In zooverre is 't dan ook te verstaan, dat in de huidige prediking de bestrijding van het stoffelijk gevaar meer op den voorgrond trad. Dit is zelfs hoog noodig. En zulks evengoed voor de ge~ loovigen, omdat ook de kleinen naar de wereld thans veel sterker dan oudtijds door het zuigen van de geldzucht in gevaar ver~ keeren. Alleen maar, nooit en nimmer mag dit het oog doen sluiten voor het in beginsel veel demonischer gevaar, dat in de doolgeraakte wijsheid en wetenschap schuilt, eau ons noopt steeds scherper toe te zien, dat men niet onder den naam van "Christelijke wetenschap" rondvente, wat feitelijk niet anders is dan een omdolen in de onheilige kringen van een wereldsche, van God afgekeerde wijsheid. Men ziet dit aan de uitkomst. Niet dan hoogst zelden ziet ge een hooggeleerde uit de wijsheidskringen der wereld bij de kleine kudde een onderkomen zoeken. Waar dan tegenover staaft, dat ge keer op keer uit de kringen van Gods volk juist de rijkst begaafde zonen van het geloof ziet afvallen, om zich ten slotte tegen Gods volk te keeren. De verleiding hiertoe is zoo vaak onweerstaanbaar.

Ongetwijfeld bestaat er ook een tegenovergesteld gevaar. Niet zelden toch is er ook een toegeven aan de onwetenschappelijke schare geweest. Maar toch moet de tegenovergestelde zwenking schier nog ernstiger betreurd, wijl er duurzaam zoo bedenkelijke invloed van op de jongeren uitgaat en de scherpe Paulinische tegenstelling ten slotte zoek raakt. Slechts zij men op zijn hoede om de verzwakking en verschuiving van de grenzen niet eeniglijk van boven te zoeken, bij hen die de schare leiden mogen; het gevaar komt soms met gelijke intensiteit uit de schare zelve op. Zie 't maar in de bange dagen die we thans doorworstelen. Of bespeurt ge het niet telkens, hoe er thans niet weinigen zijn, die om zich 't stoffelijk gewin niet te laten ontglippen, zich verleid gevoelen om het hooge ideaal, waarvoor ook zij dusver hadden gestreden, te laten varen, en, ten einde zich hooger opbrengst van hun goed te verzekeren, er, ja, nog niet toe overgingen, neen, maar er dan toch reeds over gedacht hebben, om zich met ongeloovige lotgenooten te vereenigen, ten einde zich van hoogeren prijs het profijt te verzekeren. Had men denzulken voor tien jaren gezegd, dat zooiets hun ooit mogelijk zou zijn, ze zouden 't als laster met verontwaardiging van zich hebben afgestooten. Thans daarentegen, nu de oorlogsduur de verleiding doet aanhouden, voelen ook zij zelven dat er vaak ook in hun hart iets omgaat, wat voorheen nimmer in hun hart zou zijn ingeslopen.

Er moet beslistheid onder ons heerschen. Doch dan besta er omtrent wie onder de kleyne luyden te verstaan zijn, ook geen misverstand. Al te vaak toch dringt men er heen, om onder de kleyne luyden schier eeniglijk de armeren naar de wereld te verstaan, doch het is dan ook juist tegen deze onduldbare misvatting dat niet ernstig genoeg kan gewaarschuwd worden. Noch de Christus, noch het Apostolaat, noch Prins Willem heeft ooit met "kleine luyden" eeniglijk de poveren bedoeld, die gebrek leden. De kleyne luyden zijn niet de bedeelden der Diaconie, maar ze vormen geheel de lagere groep in het samenstel van 't volksleven. Het is een klagende misstand, dat er in een Christelijke maatschappij nog wezenlijk gebreklijdenden zijn. De aard en het karakter der Christelijke Kerk brengt veeleer mede, dat de broeders, die in één kerkelijk saamleven vereenigd zijn, elkaar in nood helpen en in alle wezenlijke behoeften hun bijspringen. Zelfs mag en moet betuigd, dat allengs geheel onze diaconale inrichting vervalscht is. De Diaconie moet te hulp komen bij allen, i die voorgoed of tijdelijk in nood verkeeren, en zulks niet om aldoor van week tot week bij te schieten, maar om van lieverlede geheel den noodstand een einde te doen nemen. Geheel de onderscheiding tusschen diaconale behoeftigen en persoonlijk verlegener is uit den Booze. In Christus' Kerk mogen, zal 't wel zijn, niet dan broeders saamleven, en alwie, zij 't ook zeer tijdelijk, in ongelegenheid verkeert, moet met broederlijke liefde geholpen worden. Het was daarom zoo radicaal tegen den eisch van 't Christelijk leven ingaande, dat 't jarenlang vanzelf scheen te spreken, zoo de "bedeelden" ~ gelijk dan de geliefkoosde term was - als een soort onder voogdij gestelde personen van alle politiek kiesrecht werden uitgesloten. Zonder voorbehoud is het onzerzijds dan ook toegejuicht, dat thans aan ,die uitsluiting van de bedeelden een eind zal komen; en het deed pijn, te merken, dat er toch nog een zijgroep van Christenen was, die zich tegen deze wederopneming van de bedeelden verzetten dorst. 't Geheele woord van "bedeelden" had nimmer onder ons in zwang moeten komen. Ook maar te spreken van "bedeelden" doet reeds afbreuk aan de eere der Christelijke liefde, die niet volstaat met de gemeene naastenliefde te betrachten, maar nog altoos verre boven de naastenliefde moet uitgaan. Zeker, er kunnen op een gegeven oogenblik door eigen schuld of ongeval hongerenden zijn, die om brood roepen. Bedelaars zijn er altoos geweest. Maar op dezen stand van zaken mag de instelling der Diaconie niet rusten. Al komt gedurig nood en ellende uit den jammer van de zonde op, de Kerk van Christus mag zulk een noodstand nimmer als een duurzame gesteldheid aanvaarden. Er is daarom ook geen oogenblik sprake van, dat de "kleyne luyden" naar Prins W i 11 em's bedoeling enkel bestaan zouden hebben uit half-hongerlijdenden. Die "kleyne luyden" van Prins Willem zijn niet enkel de kommervollen, niet enkel ,le verlegener, niet de half-hongerlijdenden. Ook wel dezen, want ook dezen allen tellen mede, edoch, ook onder dezen zijn, helaas, maar al te velen, die God en Zijn eere ver:. zaken en uit dien hoofde met het volk van God niets hoegenaamd uitstaande hebben. Neen",de kleyne luyden" waren, althans in de toenmalige dagen, zij die buiten de rij der Machtigen, Edelen en Wijzen stonden. Geheel die breede klasse was er meê bedoeld, die geen ander karakter dan van den gewonen burger bezat. Die, ja, rondkomen konden met wat hun jaarlijks ten deel viel, doch alleen door zuinig sparen iets konden overleggen, en die althans niet meetelden, als er sprake was van de geldelijk machtige en door fortuin schitterende leden der maatschappij. Dus óók de armen, óók de bedeelden, óók de volstrekt behoeftige weduwen. Alleen maar volstrekt niet dezen alleen, doch slechts als onderdeel van die geheele, zoo breede klasse, die gewoonweg leefde, zonder hoogere stelling in het leven in te nemen. Brave, goede burgers, maar vreemd aan alle geleerdheid; iets wat destijds te gereeder uitkwam, overmits al wat hooger ging, de Latijnsche taal vroeg. Niet alzoo de Edelen, die van hooge herkomst waren, en zich op heel een reeks van privilegiën beroepen konden. Niet de in officie gestelden, die door hun ambt zich onderscheidden. Niet de in Raad geroepenen, op wier advies de Regenten vaak af moesten gaan. Het was veeleer die breede groep in de maatschappij, die van alle hoogere vlucht in het saamleven had af te zien. Doortastende, ijverige burgers, die steeds doende en bezig waren, om van den dag op den morgen te leven. Ze waren aan zedelijken ernst gehecht, in de samenleving op stille deugd prijsstellend, -en alzoo mannen en vrouwen, die juist uit dien hoofde de religie in eere hielden, in trouwe hun Overheid dienden, zich aan hun vaderland toewijdden, en in Christus' Kerk heul zochten voor wat ook hen in de saâmleving verdroot en lijden deed.

Tweeërlei kwam alzoo bij dezen stand onder het volk uit. Eenerzijds was hun de weg nog niet geopend voor het staan naar hooge betrekkingen. Het pad der geleerdheid betraden ze nog niet. Het zich verliezen in vreemde talen was hun nog vreemd.. En al droeg hun opvoeding een degelijk stempel, gelijk dit nog bij de visschers op Marken vaak zoo heerlijk uitkomt, opgetild uit hun omgeving waren ze toen nog niet. Ze werden geboren, ze leefden en ze stierven in die dagelijksche omgeving, die ons Nederlandsch burgerleven zoo rijk maakte.

Van zelf bracht dit met zich, dat deze kleyne luyden meer op 't land dan in de steden hun kracht konden ontwikkelen. Het leven in de natuur trekt ons sterker naar de Bron van alle goed, en doet met weer en ontij dieper onze afhankelijkheid van dien God, die 't al beheerscht, gevoelen, dan het drukke, meest uit 's menschen doen opkomende leven in ons stedenverkeer. Van de kleinere steden gewaag ik nu niet; die lijken vaak maar al te zeer op vlek of dorp. Maar . in de groote handelssteden, in de steden met zeeverkeer, in steden met een breed opgezet gildenleven, was te veel dat aftrok. Op 't platteland ging zes tiende der bevolking elken Zondag ter kerk, waar 't in de groote koopsteden geen drie tiende was. Het huislijk leven was op 't platteland zooveel inniger, de drukte van kroeg en herberg zooveel minder. Men vond er geen tooneel dat verontzedelijkte. Men at er saâm en bad er saâm. Het saám lezen in Gods Woord was er onvoorwaardelijke gewoonte. Er lag een beslag op geheel de samenleving, zooals dit in de steden van grooter allooi toen reeds niet gekend werd. Hieruit nu verklaart het zich, dat er ernstiger levenstrant heerschte ; dat men veel rijker en teerder 't levensverband met zijn God gevoelde; en dat er bij alle levensvoorval veel sterker drang was, om zijn band aan zijn God te laten uitkomen, en er zelfs prijs op te stellen, dat door dien band ook heel het maatschappelijk leven gesierd en geheiligd werd. Veel meer dan in de steden hield zoo op 't platteland een bezielde traditie stand. Schier elke week betrad men er de om het kerkgebouw gelegen graven. Zoo bleven de gestorvenen meer in herinnering. Men hield vast aan zijn historie en traditie. En wat niet minder machtig het leven beheerschte, men kende elkanders leven en doen. Waar àn de grootere steden schier een ieder schuilt en zich in 't onbekende verliest, kende men op 't platteland zoo goed als hoofd voor hoofd al zijn medebewoners van 't dorp. Men leefde er voor aller oog. Men was onderling met naam en toenaam aan elkaar bekend. -Die contr"le sneed zooveel ongerechtigheid af en gaf aan heel de saamleving een zooveel hooger type.

Niet, alsof ook op het platteland geen zonde voortwoekerde; zonde sijpert allerwegen door. Maar 't gelukkig resultaat was en bleef dan toch, dat er een gezonde volkstraditie op 't platteland voortleefde; dat men tot in alle hoeken de een den ander kende; en dat juist hierdoor een gezonder levenstoon stand hield en de religie in eere bleef. Juist de kleyne luyden waren er in wat den gang van het leven op peil houdt, zooveel beter aan toe, dan 't duizelingwekkend gevoel in de zooveel rijkere, en zooveel meer, met vreemde elementen doorwoelde steden.

En juist hieraan nu ontleende ook het religieuze leven in al zulke kringen zooveel deger karakter. In de hoogere en rijkere steden-kringen was 't maar al te vaak in de dagen der week een rusteloos van den hak op den tak overgaan, vaak des Zondags nog een overgelaten stuk van de drukke weektaak afwerken, en dan ja vluchtig in de kerk wippen, maar zonder dat er sprake van was om dag op dag zich in 't heilige te verdiepen. Ook waar men het heilige eeren bleef, daalde men toch te weinig in de diepte van de mysteriën in. Men leidde een leven waarin de religie ook ja, meesprak, maar dan zeer zijdelings en meest in de oppervlakte. Zoo kon men niet tot de fundamenten van zijn geloof afdalen. Op het platteland daarentegen neigde men vanzelf tot die verdieping van het religieuze leven. In de steden ontbrak de tijd om tot in de diepte van de Verkiezing in te gaan, terwijl juist omgekeerd op 't platteland de stille aanbidders er steeds meer lust in schepten, om een blik te slaan tot in de diepten van het Goddelijk raadsbesluit. En zoo nu sneed tot diep in het leven zelf de tegenstelling in tusschen hen die enkel door studie en inspanning zich tenslotte ook over het Heilige een opinie zochten te vormen, en dat trouwe landsvolk en die kleine burgerij, die integendeel van den indruk welken God hun in de ziel gaf, uitgingen, vandaar uit een blik in de eeuwigheid wierpen, en zoo door die allesbeheerschende gedachte heel hun gang in het leven bepalen lieten.

Ge gevoelt het tweeërlei leven dat uit deze tegenstelling opkwam. Bij de lieden der wereld een nooit afgewend gevaar, om zich in dat leven der wereld -te verliezen, en er tenslotte in onder te gaan; doch hier bij deze kleyne luyden een altoos beginnen met God, en door wat Zijne eer vorderde, heel hun optreden in het leven laten beheerschen. Elders een ja ook vaak, doch alleen voorzooveel 't ging, met de religie rekenen; hier daarentegen een op alle punten van de religie uitgaan. Zoo was het in wat men las, zoo was het in het publieke optreden, zoo was het in zijn ijveren voor de zake van het vaderland. De detail-politiek lieten' ze aan de mannen van Staat over ; doch viel ook in het politieke leven met de heilige problemen te rekenen, dan traden juist deze kleyne luyden voorop, dan hingen ze niet aan anderer opinie, maar hadden aanstonds hun eigen beslissende keuze gedaan, en ging van hen, en niet van de machthebbers, de machtige impuls uit, die 't lot van land en luyden besliste. Toen de Edelen, en de Geestelijkheid, en de mannen van de Hoogeschool aarzelden, zijn 't in de 16e eeuw juist die kleyne luyden geweest, die den strijd aandorsten en doorzetten, en vandaar de juichtoon dien Willem van Oranje ten slotte over zijn kleyne luyden hooren liet. Nu is dit niet aldoor zoo gebleven. Ook in die meer geloovige kringen kwam allengs inzinking. Toen 't tegen Rome en Alva ging, gevoelde men heel het land door, dat het leven zelf op 't spel stond en dat de spanning op het uiterste liep, en juist die uiterste spanning heeft toen dat "kleyne luyden-volk" er toe gebracht om zich zelf te overtreffen.

Doch, helaas, toen God als uitkomst van die zeldzame spanning een triumf aan het volk van Nederland tegenover Spanje had geschonken; keerde maar al te spoedig heel het nationale leven straks tot het gewone tempo terug; en al bleef het leven ook toen nog lang moreel en religieus hoog staan, het verloor toch allengs zijn rijken, zijn alles doordringenden impuls. De Fransche Revolutie hield haar intocht, en geestelijk vooral zonk toen ons land in. Voor een deel heulde men onbedachtelijk mee met wat van der vaderen ernst geheel afdoolde. Om den vrijheidsboom danste een deel der oude Calvinisten mee. En de overigen trokken zich in de eenzaamheid, of in het leven der "gezelschappen" terug. Zelfs zóó terug, dat ze als Nachtschool zich verdonkerden. Maar natuurlijk, dit kon geen stand houden. Dat was een tijd van verbrokkeling en zelfverdonkering, waaruit vanzelf de aandrift tot een nieuwe opwaking voort moest spruiten. En al heeft dit toen getoefd, al dorsten velen de nieuwe spanning niet aan, en al bedierf de versplintering in kleine groepen, --- 't eerste uitbotsel, de innerlijke drang en persing die nimmer afliet, wist toch in 't eind al wat belemmerde en verstoorde, te overwinnen, en het nakroost van die kleyne luyden uit Prins Willem's dagen, waarin aldra de familietrek van ouds nog even sterk als in de 16e eeuw uitkwam, spande zich weer derwijs in, tot zelfs in het publieke leven, dat 't schier scheen, of in deze nazaten de aloude vaderen weer waren opgestaan, en zoo trad toen de Antirevolutionaire partij te voorschijn. Niet aanstonds ging dit met volle klaarheid toe. Het Calvinisme was derwijs in onbruik en in discrediet geraakt, dat zelfs de naam van Calvij n liever gemeden werd, om ons in te schakelen in de machtige, over heel Europa zich uitbreidende reactie tegen Rousseau en Voltaire. Doch niet lang meer, of uit den strijd der vaderen, die eenmaal heel Europa verbaasde, glom wel niet meer de volle gloed van het oude op, maar toch nog een nagloed die heerlijke vonken uit deed spatten; en nooit beter dan juist op den gedenkdag van 31 October heeft heel ons land, heeft vriend en vijand 't weer gevoeld, hoe alleen het Calvinisme ons eens groot heeft gemaakt en hoe niet anders dan uit het Calvinisme onze historische grootheid zich verklaren laat. Aan Van Oosterzee, en wie met hem den strijd voor het supranatureele opnamen, onze dank en de betuiging onzer eere voor hun breuke met wat toentertijd Groningen en Leiden aandorsten, maar toch kon de weèropleving die hij en de zijnen teweegbrachten, niet anders dan voorbijgaand zijn; en al wie 't beluisteren mocht, hoe ditmaal de Reformatiedag onder ons bijna geheel van het Calvinistisch geroep doortinteld was, die weêrspreekt het niet langer, dat het ook nu weer de mannen der kleyne luyden zijn, die nogmaals heel het land over, het voorgeslacht herleven doen.

Ging 't zoo geestelijk toe, ook kerkelijk tintelde de herleefde bezieling door, en zelfs op politiek gebied heeft men de herleving van wat verstorven scheen, èn zelf genoten, èn in anderen toegejuicht, en wel zóó zielsinnig toegejuicht, dat ieder voelde, hoe wat in de 16e eeuw ons de overwinning, chonk, weer uit den eigen wortel opschoot. Nieuw zijn de vormen van dit weeropleven ; op nieuwe problemen laat men 't oude licht vallen; wat toentertijd zich saam kromp op een drietal groote levensvragen, spreidt thans de vleugelen over een nieuwe wereld van gedachten uit. Maar toch zouden onze vaderen, zoo ze waren opgestaan, ons herkend hebben. Het is dezelfde aangrijping van toen, die ook thans de geesten onder ons vermeestert. Het was een eeuw geleden, alsof we onze nobele voorvaderen verloren hadden, doch thans mogen we door Gods eenige genade ons weer als hun nazaten aandienen. Weer leeft in ons op, wat hen bezielde, en al behield ons vaderland de wereldbeteekenis niet meer van eertijds, -- nieuw geboren kleyne luyden te zijn, blijft toch het eeresymbool dat we ons niet rooven laten.

Ook ons staatkundig streven en bedoelen vindt zijn aandrift en uitgangspunt niet meer in wat de wereldsche geleerdheid ons voorpredikt, of uit de Camera der wetenschap tot ons uitstraalt; neen, de vonk die hooger gloed in ons ontsteekt, komt niet van de Katheder, doch eeniglijk uit wat God zelf in ons hart tot zelfbesef deed komen; en daarom juist kan 't niet anders, of ook geheel onze partij-organisatie moest van onderen op geboren worden. Het was uit een Goddelijke aandrift in 't hart, dat ook nu weer als vanouds de heilige drang in het vrome volk de drijfkracht opving, die ons een weer doen opleven van der vaderen streven mogelijk heeft gemaakt.

Hieruit alleen verklaart het zich dan ook, dat waar men van Liberale zijde er steeds op uit was, om van uit de kringen der geleerden en vooral uit die der Juristen de politieke actie te doen uitgaan, en zoo van boven af de leiding te geven, onder ons Antirevolutionairen de golving, steeds omgekeerd, van beneden af werd ingewacht, en dat niet de school het leven, maar het leven de school beheerscht heeft. Dit nu kon, en liep wel, zoolang ook bij de stembus het volk dat God vreesde, op eigen erf zijn stem kon laten hooren, en tenslotte den toestand beheerschte. Doch juist daarom is het dan ook zoo diep te betreuren, dat ons thans zoo straf de schroef wordt aangezet, die onze schijnbare kiesvrijheid tot een belaching maakt. O, gewisselijk, de even redige vertegenwoordiging was reeds voor dertig en meer jaren ook ons ideaal. Steeds drongen we er op aan, en ze had ook ons vrij kunnen maken. Maar gelijk 't nu zal. toegaan, worden we in allerlei band vastgeklemd, en dreigt ons het gevaar dat een schuilend Triumviraat in de Residentie de stembusactie over heel het land onder zijn hoede, en alzoo vanzelf in zijn hand, zal zien komen. Heel het land over zult ge kunnen stemmen. In tien variatiën zal uw stem-actie in achttien bundels kunnen uitgaan. Maar die tienmaal achttien complexen zullen straks in elkaar gewrongen moeten worden; en, zijn ze tenslotte als in één bundel of krans saamgenesteld, dan zal, buiten u om, ook over uw stem beschikt worden, en eerst na dagen van uiteenwarens zult ge tenslotte vernemen, wat over u beschoren is. Het is zoo, dit alles draagt nog slechts een Additioneel, en hierdoor een nog slechts voorloopig karakter. Het kan nog verkeeren, en als 't goed zal zijn, moet 't verkeeren. De definitieve wet kan ons tenslotte nog een geheel ander beeld van de toekomst schenken. Doch dit eenig gewenschte resultaat kunt en zult ge alleen dàn kunnen bereiken, zoo ge u thans ten volle doordringt van wat op 't spel staat. Iets hebben we gewonnen, door aan het College van gemachtigden, dat geheel vooraan was geplaatst, een duchtigen duw naar achteren te geven, en zoo iemand, dan zal 't mij verheugen zoo dit bate afwerpt. Maar ook al gaf dit bate, het raakt de hoofdzaak niet. Wat onze sterkte en onze glorie uitmaakte, was, dat alle stembusactie bij ons, en bij ons alleen, van onderen opkwam, en dat hetgeen hierbij dreef en bezielde, de werking van God Almachtig in 't hart van het kleine volk was, juist het voormalig kenmerk van de kleyne luyden. De nadere uitwerking van wat die impuls bedoelde, kwam dan wel van onze geleerde voorgangers, maar ook voor hen gaf wat in 't hart des volks omging, het wachtwoord. Dit moest zoo, en kon niet anders, overmits de geleerdheid onder ons uitzondering, de actie onder hooger impuls zetregel bij onze broederen was. Niet genoeg kon ons Calvinistisch volk de mannen van hoogere ontwikkeling danken, die wat uittespinnen was, voor ons uitsponnen. Juist hierbij echter kon feil na feil afleiden van de leiding die God in aller harte gaf. Steeds vroeg daarom ons volk om leiders, die met de geleiden het uitgangspunt, dat nooit anders dan in het stil geloof kon liggen, gemeen hadden. En hiervan nu juist kan thans zoo droef veel te loor gaan. 't Hoeft niet, zoo de defnitieve wet die straks komt, het gebrek van de Additioneele artikelen radicaal uitzuivert en aan het stemmend volk de vrijheid van beslissing hergeeft. Doch komt het daar niet toe, dan is en blijft het bezielend karakter van de kleyne luyden aangerand. Het initiatief dient dan van beneden naar boven verplaatst te worden, en alzoo gebannen wat ons bij anderer pogen zoo vaak geërgerd heeft, dat een kleine groep van juristen en fabrieksheeren geheel het land naar hun hand wist te zetten.

M. H., steeds zal 't een harde strijd blijven, om bij zulk een sombere constellatie den grondtoon van onze Antirevolutionaire politiek niet te laten verflauwen. Opgeven doen wij 't nimmer, wij niet en onze politieke naneven niet. Maar 't scheelt toch zoo bijna alles, of 't kleed waarin de wet zich hult, de gewenschte vormen doet uitkomen, dan wel of ze die schier onzichtbaar maakt. De onderlinge verstandhouding zal zooveel inniger, de electorale aaneensluiting zooveel nauwer en enger moeten zijn, of het noodlot is niet uitgesloten, dat ook wij worden gedoemd tot wat we bij het electoraal bedrijf steeds zoo scherp in anderen hebben afgekeurd. Steeds werden onze Deputatenvergaderingen ons benijd. Heel 't land door voelde men, hoe juist aan ons, door onze stelregel van het van onderen-op, gegund werd, wat anderen misten. Het was in onze Deputatenvergaderingen dat ons ideaal belichaamd naar voren trad. Wat we werden, we zijn het door onze samenkomsten in Tivoli geworden. Het stemt daarom zoo droef, ja, het doet u zoo bijna wreed aan, dat ook ons, -- gaat straks dit artikel 80 met zijn Additioneele artikelen door, - een keer van zaken te wachten staat, die ons noodlottig kon worden. Iets wat mij daarom vooral te meer beangst, waar reeds meer dan één zich over den nieuwen gang van zaken uitsprak, als school er heusch niets in dat ons beginsel kon deren. Het was daarom zoo hooge eisch, dat we, eer wat ons bedreigt, doorgaat, nogmaals onder inroeping van Gods hulpe, en met 't Psalmlied op de lippen in Tivoli saamkwamen. Als ons Calvinistisch volk de levensvraag waarom 't hier gaat, niet maar van buiten in zich opneemt, maar uit den levensdrang in de eigen ziel voelt opkomen, kan 't alles nog gered worden, en in 't eind de zegepraal ons blijven. Doch juist daarom moest ik u ditmaal dan ook met niets sparenden ernst op de keuze wijzen, waarvoor we geplaatst worden. Blijven we de "kleyne luyden" uit den worstelstrijd met Spanje, dan zal ook nu, wat aan onze vaderen gegeven werd, óns door genade gegund blijven. Ware het daarentegen, dat we, door de nieuwheid van vorm verlokt, ons door gidsen van het Liberalisme op het dwaalspoor lieten leiden, dan kon op eenmaal te loor gaan, wat zich nimmermeer herstellen liet.

Daartegen nu, Mannenbroederen, heb ik u willen waarschuwen. Lang zal ik niet meer in uw midden zijn. De mij toebeschikte jaren loopen ten einde, en het beste deel van mijn levenskracht ligt achter mij. Juist daarom echter voelde ik mij te meer gedrongen, om u ditmaal vooral op den heiligen band te wijzen, die ons steeds saam mocht binden.

De kleyne luyden te bezielen is steeds mijn streven geweest. Blijve het van God uitgaan, daarom steeds ons onveranderlijk bedoelen. Al verdonkerde het opnieuw, 't kan immers uit genade steeds weer onder ons opkomen. Meer dan een eeuw lang herkende men ons nauwlijks meer, en scheen aard en innerlijke aandrift bij ons weggescholen. Toch trad de hoogere zin, toen God in ons sprak, weer tevoorschijn. Laat daarom nimmer de wanhoop u verschrikken. Wat ook onder ons inzinke, onze God zal ons steeds weer terugroepen naar wat door lafheid en geestesverflauwing te loor ging. En daarom zij 't u door uw straks verscheidenden Voorzitter, als de vurigste bede uit zijn hart, toegeroepen : "Blijft Mannenbroeders, de kleyne luyden, maar blijft, om 't te kunnen zijn, steeds groot in uw God".


Ik heb gezegd.