The SpindleWorks Digital Christian Library
Sharing Reformed Christian Resources Around The World
EEN GRENSGEVAL (1) The SpindleWorks Digital Christian Library E-mail SpindleWorks Shopping Guide Search SpindleWorks SpindleWorks Home Page
ds. G. Treurniet Azn

Last Updated: February 5, 2002

De Gereformeerde Kerken in de provincies Noord-Brabant en Limburg hebben onlangs opnieuw hun onderlinge grenzen vastgesteld. Iedereen, die zich ergens in één van deze provincies vestigt. kan voortaan zonder al te ingewikkeld gepuzzel te weten komen, bij welke kerk hij zich hoort te voegen. Blijkt een grens in de toekomst onlogisch of toch onduidelijk (geworden) te zijn, dan wordt zij opnieuw vastgesteld. Maar dan zullen alle betrokkenen zich ook aan die afspraak moeten houden. Deze week stond er in het Nieuwsblad voor het Land van Heusden en Altena een heel ander bericht. Deze krant is een regionaal weekblad, dat behoorlijk wat plaats inruimt voor kerkelijk nieuws. In het nummer van 24 november las ik het volgende. De scriba van een Hervormde gemeente in onze streek houdt ermee op. Het is hem gegund, want hij zit sinds mensenheugenis vrijwel continu in de kerkeraad. Nu wordt er aan de gemeente een dubbeltal voorgesteld, waaruit zij een nieuwe scriba kan kiezen. Eén van de kandidaten woont drie dorpen verderop. Hij rijdt op weg naar de Hervormde kerk, waar hij lid van is, twee andere Hervormde kerken voorbij.

Perforatie

Dat kan tegenwoordig in de Hervormde Kerk. Dit verschijnsel wordt in de wandeling 'perforatie van gemeentegrenzen' genoemd. De Hervormde gemeenten hebben altijd vastgestelde geografische grenzen gehad. Woonde je in dat dorp of die buurtschap, dan hoorde je bij die en die gemeente. Om elders belijdenis te kunnen doen of je kind te laten dopen moest je bij je eigen kerkeraad een briefje gaan halen, ook al moest je je daar bij wijze van spreken eerst legitimeren omdat ze je nooit zagen. Deze regel is gebleven, maar er zijn nu uitzonderingen mogelijk. Hier in het Land van Altena crossten sommige hervormden al jaren iedere zondag één of meer Hervormde kerken voorbij onderweg naar een kerk waar ze zich beter thuis voelden. Nu kunnen ze ook lid worden van de gemeente van hun keuze, inclusief alle bijbehorende rechten en plichten.

Hoe kijk je nu tegen zo'n ontwikkeling aan? Zeg niet te gauw: dit is nogal een ver-van-m'n-bed-show. Ook in ons eigen kerkverband vindt niet iedereen nodig, dat je op dit punt concrete afspraken maakt en je daar ook allemaal aan houdt.

Kerkelijk leven

En dan zijn er ook de contacten met de Christelijke Gereformeerde Kerken. Als wij met deze kerken ooit verder zullen komen (ik laat nu maar in het midden of dat er in zit), zullen we op een gigantische manier met ditzelfde punt geconfronteerd worden. Er zijn zeker vier plaatsen, waar twee Christelijke Gereformeerde Kerken staan zonder onderlinge grensafbakening, althans zonder grens waar de hand aan gehouden wordt. Ook komt het voor (zelfs in zo'n plaats met twee kerken), dat iemand woont in een. plaats waar een Christelijke Gereformeerde Kerk staat, maar lid is van een gemeente in een andere plaats. Het 'voorbijcrossen' van kerken binnen hetzelfde verband heeft ook daar een hoge vlucht genomen. Ik heb de indruk dat velen wel moeite hebben met deze ontwikkeling, maar dat er niet echt iets tegen gedaan wordt. Men berust erin en op den duur weet men niet beter.

Proefschrift

Bij het nadenken over het onderwerp 'kerkgrenzen' is het bijzonder handig, dat er twee jaar geleden een proefschrift verschenen is over deze materie: Een grensgeval. Oorsprong en functie van het territoriale beginsel in het gereformeerde kerkrecht. Dr. B.A.M. Luttikhuis, hervormd predikant in Leiderdorp en Hoogmade, promoveerde op deze studie aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Ik stel mij voor, nu eerst het één en ander uit dit boek op een rijtje te zetten. Luttikhuis stelt zich de vraag, waar het verschijnsel vandaan komt, dat een plaatselijke kerk vastgestelde grenzen heeft, die bindend zijn voor degenen die zich bij zo'n kerk willen voegen. Zijn onderzoek wordt duidelijk 'gekleurd' door de situatie in de Nederlandse Hervormde Kerk van waaruit hij de geschiedenis bekijkt. Maar hij probeert even duidelijk recht te doen aan iedere periode in de kerkgeschiedenis op zich. Hij begint in de tijd na de apostelen. De eerste christelijke gemeenten ontstonden in de steden van het Romeinse rijk. Exacte kerkelijke grenzen waren niet aan de orde: de steden lagen vrij ver uit elkaar en als er op het tussenliggende platteland mensen woonden waren het meestal heidenen. In de loop van de tijd veranderde dat en werden er rondom de zetel van de bisschop (in de stad) op het land 'parochies' gesticht. Dat gebeurde uit pastorale motieven: de afstand naar de bisschopskerk was voor gelovigen op het platteland te groot. Aanvankelijk had ook zo'n parochie geen nauwkeurig afgepaalde grenzen. Dat veranderde in de tijd van keizer Karel de Grote. Toen werden de inkomsten uit de plaatselijke tienden rechtstreeks (niet meer via de bisschop) aan de parochie toegewezen. Daarvoor bleek een precieze territoriale gebiedsafgrenzing nodig. Later kwam z'n gebiedsafgrenzing er (in de regel) ook in steden met meer dan één kerk. Dr. Luttikhuis benadrukt (p.37): aan het territoriale parochiestelsel lag "geen specifiek theologisch motief ten grondslag." Het was "een praktisch instrument van zielzorg." De kerk moest (tevoet) bereikbaar zijn, maar er moest anderzijds voldoende financieel draagvlak zijn voor het onderhoud van de parochiegeestelijke(n).

Reformatie

De reformatoren, aldus Luttikhuis, hebben het territoriale parochiestelsel eenvoudig overgenomen van de Rooms-Katholieke kerk. Voor Calvijn was dat geen principiële kwestie, maar een praktische. In Genève verdeelden de predikanten hun totale takenpakket onder elkaar, ongeacht de oude parochie-indeling. De ouderlingen kregen ieder een eigen wijk om te zorgen dat er niemand over het hoofd gezien werd. Vervolgens besteedt de schrijver uitvoerig aandacht aan de Nederlandse gereformeerde vluchtelingengemeente in Londen. Hier was niet de woonplaats doorslaggevend voor het kerklidmaatschap, maar de persoonlijke keuze. In deze specifieke situatie (Nederlandse minderheid in Engelse samenleving) koos men niet voor het 'territoriale model'. maar voor het 'verenigingsmodel." Tussen die twee modellen zou in de Gereformeerde Kerken in Nederland steeds een spanning blijven bestaan. "Hier ligt voor de calvinistische Reformatie een dilemma. Zij kan en wil niet kiezen voor de éénduidige oplossing van lutheranen (de territoriale gemeente) of van doopsgezinden (de gemeente als een vereniging van personen), maar tracht die twee bijeen te houden" (p.56). Na de Opstand in de Nederlanden en de vestiging van vrije Gereformeerde Kerken werd ook hier de bestaande parochiestructuur overgenomen. De gereformeerden hadden hier belang bij, omdat zij zo het exclusieve recht op de kerkelijke infrastructuur" konden verwerven (p.58). De overheid had er zo mogelijk nog meer belang bij, "omdat in de bestaande structuur de territoriale begrenzingen van burgerlijke en kerkelijke gemeente in het algemeen samenvallen, hetgeen een zekere invloed van het burgerlijke op het kerkelijke bestuur veiligstelt" (p.59).

Negentiende eeuw

In het Algemeen Reglement, dat de overheid in 1816 aan de Gereformeerde Kerken oplegde, en waarmee zij Nederlandsche Hervormde Kerk gingen heten, werd de territoriale indeling niet genoemd. De reden hiervoor was, dat zij als volstrekt evident beschouwd werd. Er werd stilzwijgend van uitgegaan - en bijzonder veel waarde aan gehecht, met name ter wille van de goede orde (zoals de overheid en de kerkelijke top die zagen). Dat ondervond ds. H. de Cock te Ulrum, toen hij het bestond, enkele kinderen te dopen uit andere gemeenten. Dr. G.J. Vos Azn, de felle tegenstander van de latere Doleantie, betitelde dit als "eene zware kerkrechtelijke misdaad" (p.80, noot 208). Dit politieke motief tot territoriale gemeente-indeling werd zo beheersend, dat het pastorale motief erdoor ondergesneeuwd werd. Dat blijkt uit een Koninklijk (!) Besluit uit 1837, dat grenswijziging van burgerlijke gemeenten automatisch kerkelijke grenswijziging met zich meebracht. Hiermee is de knoop van 'verenigingsmodel' en 'territoriaal model' niet ontward, maar doorgehakt ten gunste van het tweede. Ook de afgescheldenen hakten de knoop door, zegt. dr. Luttikhuis, maar dan ten gunste van het verenigingsmodel. Zij "spreken zich uit voor de belijdenis als basis van gemeentevorming en (nemen) daarmee feitelijk afscheid van het territoriale model" (p. 91).

Kuyper

Dr. A. Kuyper is de man geweest, aldus Luttikhuis, die het territoriale beginsel van een "theologische onderbouwing" voorzag: hij verklaarde het tot scheppingsordening (p.99). Nou ja. theologisch in feite was deze onderbouwing alleen maar kerkpolitiek (p.103). Hoezo kerkpolitiek? Wel, Kuypers principieel klinkende verhaal over 'de afscheidingen van steden en dorpen' als 'wilsbeschikking Gods' en daarom constitutief voor kerkvorming komt hem heel goed van pas bij zijn pleidooi voor de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. En dat pleidooi is op zijn beurt alleen maar een (opportunistisch) middel ten dienste van het doel, dat hij zich gesteld heeft, te weten het verwerven van de kerkelijke macht voor de gereformeerde partij" (p.100).

Binnen die door God gestelde territoriale grenzen hanteert Kuyper het 'verenigingsmodel.' "Kuypers plaatselijke kerk wordt daarmee zogezegd tot een vereniging waarvan men verplicht lid is" (p.104). Ter wille van de Vereniging van de dolerende en de afgescheiden kerken in 1892 heeft Kuyper vervolgens geaccepteerd, dat er tijdelijk twee kerkformaties op één territorium zouden zijn. Maar het principe bleef: één kerk op één plaats. Dat is mislukt. zegt dr. Luttikhuis, want op de meeste plaatsen, waar in 1892 twee gereformeerde kerken waren, zijn er vandaag (door de Vrijmaking en andere breuken) wéér twee of nog meer (synodaal. vrijgemaakt, Chnstelijk geref., Nederlands geref. en/of één of meer Geref. gemeente(n)). Kennelijk is "het terrtonale beginsel niet geschikt als middel tot het afdwingen van een geestelijke eenheid in en tussen gemeenten" (p.112).

Twintigste eeuw

In de Gereformeerde Kerken werd al gauw (ook door Kuyper) enige afstand genomen van het principe één kerk-op-één-plaats. Ter wille van de pastorale zorg in de groeiende grote steden kwamen er pleidooien voor een parochiestelsel: meer kerken in één plaats, maar dan wel ieder met een eigen territoriaal ressort. Veel aandacht besteedt Luttikhuis aan de ontwikkelingen in zijn eigen Hervormde Kerk. In de nieuwe kerkorde van 1951 werd in gemeenten met meer dan één predikantsplaats verdeling in wijkgemeenten verplicht gesteld. Dat gebeurde uit een pastoraal motief: het was "de enige mogelijkheid om in de grote steden nog tot zoiets als kerkelijke gemeenschap te komen" (p. 178). Dat motief juicht de schrijver toe, maar dat er zo strak vastgehouden werd aan het territoriale beginsel betreurt hij. Hij verklaart het uit een denkfout: verwarring van rechten en plichten. "Klassiek gereformeerd, al sinds de uiteenzettingen van Calvijn daaromtrent, is de gedachte, dat een gemeente een pastorale zorgplicht heeft ten opzichte van allen die zich binnen haar actieradius bevinden... Van een geheel andere, namelijk burgerlijk-staatkundige oorsprong is echter de gedachte, dat een regerend orgaan (in dit geval de kerkeraad) bepaalde onvervreemdbare en uitsluitende rechten bezit ten aanzien van al de inwoners van zijn territorium. Wat nu geschiedt in het 19e-eeuwse reglementsdenken, en nog eens in versterkte mate in de kerkorde van 1951, is dat men de zorgplicht der gemeente zonder meer interpreteert als een regeerrecht" (p.189). Men liep in de Hervormde Kerk al gauw vast met het territoriale beginsel. In 1964 gaf de generale synode groen licht voor 'buitengewone wijkgemeenten', een 'oplossing' in plaatsen waar een bepaalde modaliteit niet aan haar trekken kwam. Het territoriale beginsel blijkt in een plurale kerk als de Hervormde niet te werken, maar men had en heeft niet de moed, dat te erkennen en het principe los te laten. Uitzonderingen werden steeds als tijdelijk of minstens als noodoplossing beschouwd. Ook als het besef doordringt, dat het verschijnsel van de deelgemeenten (zoals de buitengewone wijkgemeenten inmiddels heten) een blijvende zaak is, wordt officieel aan het beginsel vastgehouden. Dit ondanks geluiden - van roependen in de woestijn, maar door Luttikhuis met instemming gememoreerd -, dat het apostolaire karakter van een gemeente vraagt om structurele openheid (,p.212, 218). Ook bij de 'perforatie van gemeentegrenzen' in 1991 blijft de regel overeind, maar komen er alleen (nu ook individuele) uitzonderingen. Ik besluit met de laatste zin van Luttikhuis' eigen samenvatting: "De kerk zou zich ... opnieuw op haar apostolaire taak (moeten) concentreren ... en op grond daarvan een veel flexibeler houding aan (moeten) nemen ten opzichte van allerlei verschillende vormen van gemeenteleven'' (p.263).

Theologisch of pastoraal?

We hebben bewust niet alle onderdelen van het boek van dr. Luttikhuis samengevat. Dat zou niet alleen teveel ruimte gevergd hebben - de schrijver geeft een helder, goed gedocumenteerd overzicht over de kerkgeschiedenis vanaf de apostolische tijd - maar het leek me ook niet nodig om het verhaal niettemin te kunnen volgen. In wat nu volgt willen we op enkele punten commentaar leveren bij wat dr. Luttikhuis schrijft. Als dit commentaar voornamelijk- kritisch is, doet dat niets af van onze waardering voor het werk, dat hij verzet heeft, en de manier, waarop hij het presenteert. Maar geen enkele publicatie is het eind van alle tegenspraak (ook dit artikel niet).

Laten we maar meteen beginnen met een punt, dat de tendens van het hele boek raakt. We citeren p.14: "Het oorspronkelijke motief voor de vorming van parochies is het pastorale motief. De parochie is geen doel maar een middel; een instrument, waarmee de bisschop zijn pastorale taak kan vervullen. Om een theologisch legitimering bekommert men zich derhalve in het geheel niet (zulks zou het middel ten onrechte alsnog tot doel verheffen)." Verderop, als het gaat over de tijd na keizer Karel de Grote, schrijft Luttikhuis: "Wel is het van belang voor de latere ontwikkelingen in het parochiale stelsel hier nogmaals te wijzen op het feit dat een specifieke theologische motivering of legitimering van het parochiële stelsel ook in deze tijd van hevige woelingen daaromtrent niet aan de orde is: het parochiesysteem heeft theologisch geen hogere status dan die van praktisch instrument van zielzorg en rechtshandhaving" (p.30). Opmerkingen van gelijke strekking lezen we onder andere op de pagina's 37 (boven geciteerd), 62, 70, en 229-30.

Laat ik het maar eerlijk zeggen: ik heb hier grote moeite mee. En dan bedoel ik vooral zo'n uitdrukking als 'geen hogere status dan ...' Voorzover de schrijver hiermee bedoelt, dat er aan het 'territoriale model' van gemeentevorming aanvankelijk geen breedvoerige en diepzinnige wetenschappelijke bezinning ten grondslag lag, zal hij ongetwijfeld gelijk hebben. Dat geldt trouwens voor heel veel beleidskeuzen in de kerkgeschiedenis. Er hoeft ook niets mis mee te zijn: niet de theologie maakt de dienst uit in de kerk, maar Gods Woord. Maar dr. Luttikhuis bedoelt er ook mee: je moet niet net doen of het 'territoriale model' principieel beter is dan andere modellen. Er is in het verleden voor gekozen op pastorale gronden, maar het moet mogelijk zijn, in onze tijd eveneens op pastorale gronden voor andere mogelijkheden te kiezen. (Er waren ook andere gronden, bijvoorbeeld juridische en politieke, maar daar is de schrijver - terecht - minder van onder de indruk.) Mijn overtuiging is, dat Luttikhuis hiermee te weinig gewicht toekent aan de pastorale motieven, die in het verleden - met name bij de reformatoren - een rol gespeeld hebben. "Het parochiesysteem heeft theologisch geen hogere status dan die van praktisch instrument van zielzorg" - als ik dat lees, denk ik: is die status niet hoog genoeg? Kán het veel hoger? Gelden er in de kudde van de Goede Herder principiëlere argumenten dan pastorale? Het gebruik van de term 'pastoraal' in Luttikhuis' betoog neigt naar de betekenis: 'alléén maar praktisch, niet principieel, niet bindend voor alle tijden.'

Nu zou ik, daar tegenover, het woord 'pastoraal' (= herderlijk) niet willen voorzien van de betekenis: "star, zo soepel als een stoeprand." Een herder treedt soms heel meegaand op, omdat het ene schaap het andere niet is, en de kudde van vandaag niet in alle opzichten gelijk aan die van gisteren. Maar vaak zijn juist duidelijke regels en bindende afspraken goed voor de kudde, dus pastoraal. Hiermee is niet meteen aangetoond, dat dat ook in dit geval zo is. En dat het territoriale stelsel dus normatief zou moeten zijn. Daarover beneden.

Maar ik vind het belangrijk, nu eerst een tegenstelling te signaleren, die mijns inziens onjuist en verwarrend is: géén specifiek theologisch motief, mààr een pastoraal motief, zegt dr. Luttikhuis. Dan zeg ik: als u daarmee dat pastorale motief wilt relativeren (alleen praktisch en niet principieel). kan ik er absoluut niet mee uit de voeten.

Territorium of vereniging?

Een volgend punt, waarop ik met dr. Luttikhuis van mening verschil, is de spanning, die hij waarneemt in de geschiedenis van de Gereformeerde kerken in Nederland vanaf de zestiende eeuw. De spanning tussen het 'territoriale model' en het 'verenigingsmodel,' waartussen de kerken volgens hem niet hebben willen kiezen. Die knoop is uiteindelijk doorgehakt, doordat de Hervormde Kerk voor het eerste model koos, en de afgescheiden kerken voor het tweede. Nu heb ik om te beginnen nogal moeite met de term 'verenigingsmodel.' Die uitdrukking past wel bij de doopsgezinde kerkvisie, maar niet bij de gereformeerde. Typerend voor een vereniging is, dat je jezelf opgeeft als lid. Maar de Gereformeerde Kerken hebben altijd beleden, dat je door de doop - in de regel als baby dus zonder eigen activiteit laat staan initiatief - bij de kerk ingelijfd wordt (H.C. zondag 27). Daar komt bij, dat de term 'vereniging' rijkelijk vrijblijvend klinkt. Je bij de kerk voegen is - alweer volgens de gereformeerde belijdenis nooit een vrijblijvende zaak (NGB art.28). Dat wordt niet weersproken door de, situatie in Londen, waar naast de Engelse kerk een Nederlandse vluchtelinggemeente bestond. Om te beginnen was die situatie te buitengewoon om er algemene conclusies uit te trekken, en bovendien stond het ook daar buiten kijf, dàt je je bij de kerk hoort te voegen, en past er dus geen etiket 'verenigingsmodel' bij. Wàs er dan geen voortdurende spanning, geen 'dilemma' in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken als het ging om de vraag: welk gemeentemodel? Zeker wel. Namelijk deze spanning: de Gereformeerde Kerken wilden belijdende kerken zijn, terwijl de overheid er veelal op aandrong, dat zij volkskerk zouden zijn, zonder strikte binding aan de belijdenis en zonder consequente tucht. Dat dilemma heeft inderdaad veel spanning opgeleverd. Naarmate de Gereformeerde Kerken in de praktijk volkskerk werden, kreeg je het verschijnsel van kerkjes-in-de-kerk: vrome gezelschappen. Toen er na 1816 ook officieel leervrijheid kwam, was deze allang bestaande spanning één van de oorzaken van de Afscheiding van 1834. Maar noch die spanning, noch de Afscheiding heeft iets te maken met het 'territoriale model.' Het dopen (voor de Afscheiding) van kinderen uit andere gemeenten door ds. H. de Cock werd door alle betrokkenen als noodoplossing gezien. Zulke praktijken werden na de Afscheiding beslist niet normaal. Ik begrijp er dan ook niets van, hoe Luttikhuis kan beweren (p.90), dat het 'territoriale gemeentemodel' door de afgescheidenen opzij is gezet. De afgescheiden kerken hadden gewoon geografische grenzen. Daar zal, zeker in het begin, toen het kerkelijk leven veel kinderziekten doormaakte, best eens wat inconsequent mee omgesprongen zijn. Er zijn ten gevolge van onderlinge verschillen ook in enkele plaatsen een tijdlang twee gemeenten geweest (bijvoorbeeld in Leiden). Maar het is beslist niet zo, dat de afgescheiden kerken afscheid genomen hebben van het territoriale beginsel. Zeker, zij wilden belijdende kerken zijn. Maar daarmee kozen zij niet tegen het territoriale model. Dáár bestond ook helemaal geen spanning mee. Wel met het verschijnsel van de (tuchtloze) volkskerk. Maar dat is absoluut iets anders!

Kuyper kerkpoliticus?

Buitengewoon negatief is dr. Luttikhuis over de mening en vooral over de persoon van dr. Abraham Kuyper. Meteen al op de eerste van de twaalf bladzijden, die hij aan hem wijdt, poneert Luttikhuis dat "Kuyper zich steeds primair (liet) leiden door overwegingen van opportuniteit en strategische effectiviteit" (p.93). Niet soms, niet vaak, maar steeds. Niet mede, niet grotendeels, maar primair. Bewijs voor deze scherpe veroordeling? Vijf regeltjes uit een brief van Kuyper. Een persoonlijke brief over een specifieke situatie. Zacht gezegd: een smalle basis voor zo'n vernietigend oordeel. Toch zet deze typering de toon voor het vervolg. Kuyper wordt neergezet als een gladde aal en een opportunistische windhaan, die alléén maar opkwam voor de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, omdat hem dat goed uitkwam bij zijn streven naar macht. Ga ik nu beweren, dat er bij Kuyper nooit sprake is geweest van berekening en onzuivere motieven? Nee, dat beweer ik niet. Bij veel wat Kuyper gedaan en geschreven heeft heb ik een, laat ik zeggen, 'dubbel' gevoel. Je proeft enerzijds oprechte ijver voor de zaak van de HEERE, ook als anderen het erbij laten zitten (als Kuyper puur op macht uit geweest was, had hij een hoop dingen volstrekt anders aangepakt), anderzijds nogal eens een te aards-gezinde, te berekenende benadering. Dat laatste veroorzaakt - althans bij mij - een zekere afstand, die er niet is bij het lezen van of over - bijvoorbeeld - Groen van Prinsterer. Toch heeft Luttikhuis mijns inziens niet aangetoond. dat Kuypers opkomen voor het recht van de plaatselijke kerk een kwestie geweest is van kerkpolitiek. Overigens: stel even, dat dat wel het geval geweest zou zijn. Hoe is het dan te verklaren, dat integere gelovigen en wetenschappers als de theoloog dr. F.L. Rutgers en de jurist jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman náást Kuyper stonden in de strijd voor het recht van de plaatselijke kerk, ook toen het er bij de Doleantie op aan kwam?

Zou dr. Luttikhuis willen beweren, dat het Lohman (ik noem hem speciaal, omdat er ook grote verschillen waren tussen hem en Kuyper) om het verwerven van de kerkelijke macht voor de gereformeerde partij ging?

Vrijmaking als ontvlechting?

Een laatste punt, dat mij lichtelijk verbaasd heeft, is wat Luttikhuis poneert over de Vereniging van 1892. Hij stelt: de kerken uit de Afscheiding hebben gekozen voor het verenigingsmodel, de kerken uit de Doleantie voor het territoriale model (pp.110-11). Na de Vereniging werd het territoriale model overheersend, maar de tegenstelling is niet weggenomen. Dat is de oorzaak geworden, dat de Christelijke Gereformeerde Kerk zich afscheidde. Dat is ook de oorzaak van de Vrijmaking in 1944 (p.111l). Luttikhuis noemt de Vrijmaking zelfs "de ontvlechting van beide groepen" (p.107), namelijk van afgescheidenen en dolerenden (of, voor het gemak: A en B). Hij onderbouwt deze stelling met een gegeven, dat we in onze samenvatting al noemden: in de meeste plaatsen, waar in 1892 twee gereformeerde kerken (binnen het verenigde kerkverband) waren, zijn er honderd jaar later weer twee of zelfs meer, die nu tot verschillende kerkverbanden behoren. Dat laatste valt uiteraard niet te ontkennen. Alleen: is hiermee bewezen wat dr. Luttikhuis wil bewijzen? Ik geloof er niets van. In de eerste plaats: de verschillen tussen A en B zijn niet terug te voeren op de tegenstelling 'verenigingsmodel' contra 'territoriaal model,' al was het alleen al, omdat dat geen tegenstelling is. Wel waren er bij verontruste afgescheidenen kritische vragen over de tucht in sommige dolerende kerken, maar dat had eerder te maken met de tegenstelling belijdende kerk volkskerk (zie boven). Het territoriale stelsel stond daarbij niet ter discussie. In de tweede plaats: latere breuken hadden allerlei oorzaken, maar niet bovengenoemde tegenstelling. Het is ook in strijd met de feiten, de Vrijmaking 'ontvlechting' van A en B te noemen. Van enkele gemeenten (bijvoorbeeld Harlingen en Bunschoten-Spakenburg) is bekend, dat de breuklijn in 1944 tamelijk veel overeenkomst vertoonde met de grenslijn tussen A- en B-families. Maar dat had niet (aantoonbaar) te maken met voorkeur voor verschillende gemeente-modellen. Bovendien was het verschijnsel van die (en dan ook nog in beperkte mate) herkenbare breuklijn eerder uitzondering dan regel. Het overgrote deel van de voormalige A- en B-kerken is synodaal geworden. Het is wel zo goed als zeker dat het numerieke aandeel van voormalig A in de vrijgemaakte Gereformeerde Kerken groter was dan dat van voormalig B, maar er is nog nooit onderzocht hoevéél groter.

Tot zover enig kritisch commentaar op het boek van dr. Luttikhuis, dat overigens beslist een aanwinst is, al is het maar omdat er over dit onderwerp niet zoveel literatuur bestaat. Ik hoop, dat u het een beetje hebt kunnen volgen. Mijn verhaal is wat pittiger dan u gewend bent, maar dat bracht het onderwerp met zich mee. Bij bespreking van een degelijke dissertatie vallen er noodgedwongen weleens wat meer moeilijke woorden dan in een verhaal, waarin je zelf je termen kunt kiezen. Vervolgens hoop ik een eigen standpunt naar voren te brengen inzake wenselijkheid en hantering van geografische kerkelijke grenzen.

Regel

De generale synode van 1936 wees de kerken op "de regel, dat ieder dient te behoren tot die kerk, binnen het ressort van welke hij zijn burgerlijk domicilie heeft" (Acta art. 62). De synode van 1990 heeft de kerken nog eens nadrukkelijk aan die afspraak herinnerd (Acta art. 65). Uitgangspunt van deze regel is, dat iedere kerk haar eigen ressort heeft. Dat staat niet met zoveel woorden in de kerkorde. Er wordt eenvoudig van uitgegaan (zie bijvoorbeeld art. 38 en 39). Dat ressort (of territorium, maar dat klinkt een beetje zoölogisch) kan één stad of dorp omvatten. Het kan ook bestaan uit meerdere plaatsen (of delen ervan), of juist uit minder dan een plaats, bijvoorbeeld een stadswijk. Daarbij is het belangrijk, dat de grenzen duidelijk beschreven zijn. De kerken onderling en de classis moeten erop letten, dat er geen onduidelijkheden, overlappingen, witte plekken of (achterhaalde) inconsequenties in die omschrijving zitten.

Dat is het uitgangspunt: er zijn grenzen. Het logische vervolg is nu: we houden ons aan die grenzen. Ze gelden voor kerkeraden, kerkleden en aspirant-kerkleden. Ook dat wordt in de kerkorde stilzwijgend verondersteld (art. 63 en 64). Het is met zoveel woorden vastgelegd in de 'regel van 1936', bevestigd (en aangevuld) in 1990. Zo is het dus geregeld in de Gereformeerde Kerken. Alleen: kennelijk is dat in kerkelijk Nederland niet (meer) vanzelfsprekend. Twee weken geleden kwam al ter sprake, dat de Nederlandse Hervormde Kerk in 1991 de geografische gemeentegrenzen heeft 'geperforeerd'. Dat wil zeggen: het zijn geen dichte grenzen meer. De Gereformeerde Kerken (synodaal) waren hiertoe al in 1984 overgegaan (De Hoeksteen 1994 p.74). Van vergelijkbare besluiten in de Christelijke Gereformeerde Kerken is mij niets bekend, maar ik heb de indruk, dat daar nauwelijks meer officiële grenzen bestaan. Toch zijn er wel de nodige argumenten te noemen om ons te houden aan het 'territoriale stelsel.' Laat ik er een aantal mogen noemen.

Argumenten

1. We beginnen uiteraard bij Gods Woord. In het Oude Testament was er nog geen sprake van zelfstandige gemeenten naast elkaar. In het Nieuwe Testament wel. Hoe werden die gemeenten ingedeeld? Ongetwijfeld geografisch. We lezen niets over 'categoriale' gemeenten, wel over gemeenten in die-en-die plaats. Titus moet dan ook oudsten aanstellen in alle steden (Titus 1:5), niet in familieclans, sociale klassen, vriendenkringen of leeftijdsgroepen.

2. De kerk is gemeenschap der heiligen, niet alleen op zondag, maar zeven dagen in de week. Dan is het van belang, dat je niet alleen zo dicht mogelijk bij het kerkgebouw woont, maar ook, zo dicht mogelijk bij elkaar. Territoriale indeling ligt dan, voor de hand.

3. Een punt, dat hier alles mee te maken heeft, is het ambtelijke toezicht en overzicht, dat van levensbelang is voor de kerk (Hand. 20:28). Ook dat is het meest gediend met een ressortale indeling, die vervolgens als basis kan dienen voor een wijkindeling.

4. Het is het werk van de Heilige Geest, dat er in de kerk verschillende gaven zijn (1 Cor. 12:4-11). Met opzet, omdat er in een lichaam veel verschillende functies nodig zijn. Geografische grenzen zijn een goed middel om die gaven eerlijk te verdelen en niet onnodig eenzijdig samengestelde gemeenten te laten ontstaan.

5. Dr. Luttikhuis meent, dat een gemeente wel een 'pastorale zorgplicht' heeft binnen haar werkgebied, maar dat de kerkeraad binnen dat gebied geen 'uitsluitende rechten' kan laten gelden (Kerkblad 3 december). Dat ben ik volstrekt met hem oneens. Op die manier maak je belangrijke kerkorde-bepalingen als art. 3 en art. 10 in feite krachteloos. Gemeente en kerkeraad hebben binnen hun gebied wel degelijk rechten. Uiteraard zijn dat geen absolute rechten: ze zijn hun toevertrouwd door het Hoofd van de kerk.

6. Een volgend argument is dat van de duidelijkheid: je weet waar je aan toe bent. Als je op die plek gaat wonen, hoor je bij die kerk. Dat voorkomt tevens onwaardig getouwtrek tussen gemeenten om gezinnen die zich nieuw vestigen.

7. Hiermee hangt iets samen, wat ik veel belangrijker vind. Misschien is het wel het fundamenteelste argument: het is de Zoon van God, die de kerk vergadert (H.C. zondag 21). Hij doet dat door Zijn Geest en overeenkomstig het voorzienig bestel van Zijn Vader. De drieënige God geeft jou een plaats in de kerk.

Als je mensen daarbij de vrije keus geeft, welke kerk, dan vraag je erom, dat ze de kerk gaan zien als een club die wij er op na houden. Een kwestie van gezond kerkbesef dus, iets wat in onze tijd toch al een vrij schaars artikel is. Niet jij kiest je broeders en zusters uit, dat doet de HEERE voor je.

Gevaren

Ik meen, dat consequent vasthouden aan het 'territoriale stelsel' bovendien een deugdelijk wapen is in de strijd tegen een aantal reële gevaren voor de kerk.

1. Om te beginnen: het gevaar van consumentisme De kerk kan degraderen tot leverancier van geestelijk voedsel en rituelen naar jouw smaak. Maar de kerk is geen leverancier, die je naar eigen believen kiest. Ze is je moeder (2 Joh. l). Ik denk hierbij ook aan 2 Tim. 4:3: als woordverkondiging en/of tucht in kerk X je niet aanstaan, kom je niet op het idee dat jij je moet bekeren, maar ga je naar kerk Y, die er een beetje makkelijker over denkt. En ik denk vooral ook aan de volgende generatie: hoe leer je je kinderen het verschil tussen de kerk en een snackbar?

2. Hiermee hangt samen het gevaar van individualisme. Je hoeft nog niet met huid en haar Kuypers betoog over te nemen over steden en dorpen, die door Gods voorzienig bestel tot stand gekomen zijn en daarom bepalend bij kerkvorming, om in te zien, dat het een slechte zaak is, als van de buren A, B en C de één naar kerk X gaat, de ander naar kerk Y en de derde naar kerk Z. Slecht voor de kerk, slecht voor de samenleving en slecht voor onderling meeleven en verantwoordelijkheidsbesef van A, B en C.

3. Een grotere afstand in kilometers, terwijl die afstand niet nodig is, is een reële bedreiging voor actieve betrokkenheid. Op zondag wat verder rijden gaat nog wel; maar door de week wordt die moeite gauw teveel. En pa en ma hebben waarschijnlijk een auto, maar de kinderen moeten fietsen.

4. Onvermijdelijk en ontzettend schadelijk is het gevaar, dat kerken uit elkaar groeien, als je de grenzen 'perforeert'. In de drie kerkgemeenschappen, die ik hierboven noemde, heb je nu al gemeenten van verschillende richting, modaliteit of ligging. Als er geen grenzen meer functioneren zal dat proces zich alleen maar versterken en vrijwel onomkeerbaar zijn. Met grote schade voor de geestelijke eenheid van de kerk en voor de verbreiding van het evangelie.

5. Hiermee hangt weer samen, dat er een ongeestelijke concurrentie kan gaan optreden, waardoor kerken elkaar afbreken in plaats van opbouwen. Jongeren zoeken dan bijvoorbeeld een kerk met veel leeftijdgenoten op, of mensen die zichzelf intellectueel vinden een kerk met veel doctorandussen. Dat andere kerken vergrijzen, of te kampen krijgen met gebrek aan kader, vinden ze niet hun probleem.

6. Zijn er moeilijkheden in de kerk? Dan is de verleiding groot, die moeilijkheden te ontlopen (door over te stappen naar een andere kerk) in plaats van ze op te lossen.

Natuurlijk weet ik best, dat al deze gevaren tot op zekere hoogte ook van toepassing kunnen zijn in een kerkverband, dat wel geografische grenzen hanteert. Je kunt ook in een 'terntoriale' gemeente consumentistisch bezig zijn. Je kunt om aanvechtbare redenen verhuizen. Ook de afstand tot de dichtstbijzijnde kerk kan zo groot zijn, dat de betrokkenheid eronder lijdt. Maar dat neemt niet weg, dat het afschaffen of niet meer bindend verklaren van geografische grenzen (wat in de praktijk op hetzelfde neerkomt) het er alleen maar erger op zal maken.

Problemen

Kunnen er geen praktische problemen opduiken, als je consequent vasthoudt aan het territoriale stelsel? Zeker wel Ik noem er een paar.

1. Kerken in oudere stadswijken hebben vaak een zeer onevenwichtige leeftijdsopbouw (veel bejaarden en studenten, weinig gezinnen).

2. Kerken in groeikernen of nieuwe wijken groeien soms zo snel, dat het heel moeilijk is om samenhang en overzicht te houden.

3. Kerken op het platteland lopen soms leeg door gebrek aan werkgelegenheid en/of onderwijsmogelijkheden.

4. Kerken in grote steden zijn vaak klein, terwijl juist daar veel menskracht nodig is om anderen te zoeken met het evangelie en met christelijke barmhartigheid.

Ik zal de laatste zijn om deze moeiten te bagatelliseren. Alleen: ik zie niet in, dat je ze adequaat aanpakt als je het territoriale stelsel loslaat. Voor geen van deze problemen lijkt mij dat een goede oplossing. Bovendien - ik wil dat nog eens benadrukken -: er is geen weg terug. De praktijk in andere kerkgemeenschappen wijst uit dat, als je eenmaal begint met het perforeren van geografische grenzen, het hek letterlijk en figuurlijk van de dam is. Dat kan trouwens bij samensprekingen met andere kerken nog een harde dobber worden. Dat moeten we er dan maar voor over hebben; naar mijn overtuiging is een territoriale gemeentebegrenzing voor een gereformeerd kerkverband onopgeefbaar.

Rechte lijnen?

Ik schrijf expres over dit onderwerp op een moment, dat het onder ons geen heet hangijzer is. Ik hoop, dat het dat ook niet wordt. Dan moeten we wel attent zijn op 'kleine' dingen. Een voorbeeld. Als er in ons kerkverband een kerk opgeheven wordt, gebeurt het nogal eens, dat de overgebleven leden zelf mogen kiezen, van welke kerk ze lid willen worden. Ik denk, dat je daarmee op moet passen, ook als er voor de toekomst een duidelijke grens wordt vastgesteld. Uitzonderingen op de regel hebben de neiging precedent te worden, waar een ander zich op beroept om ook een uitzonderingspositie te claimen. Moet er dan in zo'n geval geen rekening gehouden worden met persoonlijke en/of historische banden? Dat zeg ik niet. Juist het opheffen van een kerk is een gevoelige zaak. Daar moet je serieus rekening mee houden. Kerkelijke vergaderingen mogen hierin nooit besluiten nemen over de hoofden van direct betrokkenen heen. Dat betekent ook, dat we in de kerk niet alleen maar denken in termen van 'efficiency.' De kerk bestaat uit mensen, levende mensen. Kerkelijke grenzen trekje dus - zeker in zo'n situatie - niet achter een bureau. Een voorbeeld buiten onze regio: de bewoners van het Kampereiland wonen iets dichter bij de kerk van IJsselmuiden dan bij de kerk van Kampen. Toch zijn en blijven ze zeshonderd jaar) lid van de kerk te Kampen. Historische en sociale banden met de stad en de kerk van Kampen zijn zo sterk, en betekenen voor de betrokkenen zo veel, dat je in zo'n geval niet met die grens moet gaan schuiven puur vanwege de kilometers. Maar: daar is dan ook een duidelijke afspraak over. Laten de kerken deze dingen blijven regelen, en niet de kerkleden. Vergeet niet, dat de eerste zin van onze kerkorde vrijwel letterlijk een bijbeltekst is (1 Cor. 14:40)!

Uitzonderingen?

Is er op de 'regel van 1936' geen enkele uitzondering mogelijk?

Zo simpel ligt het natuurlijk niet. Alleen: laat een uitzondering dan goed gemotiveerd worden, neem er (in overleg met alle betrokkenen) een apart besluit over en presenteer het ook als een uitzondering. Voorbeeld: wij hebben in onze gemeente weleens te maken met opname in een verzorgings- of verpleeghuis op het grondgebied van een zusterkerk in de directe omgeving. Regel is dan: het verhuizende gemeentelid wordt lid van die buurgemeente. Maar soms maakt ouderdom en/of dementie contact met onbekende ambtsdragers en gemeenteleden heel moeilijk, terwijl oude bekenden nog wel contact krijgen. Als de afstand dan geen probleem is, kan er in overleg besloten worden, dat de betrokkene lid blijft van zijn of haar 'oude' kerk. Alleen: ervaring leert, dat je dan wel aan de gemeente duidelijk moet maken, dat dat een uitzonderlijke situatie is. Anders krijg je binnen de kortste keren kerngezonde verhuislustigen, die geen attestatie aanvragen. En dan moeten we blijven zeggen: ho even, er zijn grenzen. En die zijn er niet voor niets.

1. Return Oorspronkelijk gepubliceerd in Gereformeerd Kerkblad voor Zuid-Holland jrg. 46, December 1994.

This is a SpindleWorks page